Portrettekenen – schaduw en licht

Een portrettekening diepte geven

Teken je een portret, dan wil je in eerste instantie ogen, neus en mond op de juiste plek krijgen. Maar daarna is het goed om diepte in het gezicht te kunnen suggereren. Een driedimensionaal effect bereik je door middel van schaduw en licht. Hoe sterk het licht donker contrast is, en waar het licht vandaan komt, kan veel uitmaken voor de sfeer van je tekening. Misschien kun je zelfs nadenken over het karakter van de geportretteerde, en hoe dit uit te beelden in licht/donker gebruik. In een stevig gephotoshopte portretfoto in een glossy lijkt het vaak of het licht helemaal nergens, of overal, vandaan komt. Dit zorgt ervoor dat elke rimpel wegvalt en de neus kleiner lijkt. Daartegenover wordt een slechterik in een film juist dramatisch van achter, of van onderaf belicht. Om een griezelverhaal nog enger te maken vertel je het met een zaklamp onder je kin.

De schedel achter het gezicht

In een hoofd, achter een gezicht, zit een schedel. We denken er meestal (liever) niet over na, maar de vorm van ons gelaat is grotendeels het gevolg van de botstructuur eronder. Krijg je hier meer inzicht in dan begrijp je ook beter waarom gelaatstrekken er zo uitzien. Ogen zijn niet een soort amandelvormen met een zwarte stip erop, maar ballen, die slechts gedeeltelijk te zien zijn. De kin maakt deel uit van de onderkaak, die vast zit en scharniert vlak bij de oren. De wenkbrauwen bevinden zich bovenaan de oogkassen, en werpen als het ware een schaduw op de ogen. Het oogwit is daarom ook zelden echt wit. Het lichtste deel van het gezicht is meestal de neus, want die steekt uit, en daar valt het licht op.

Een oefening om te leren portrettekenen

Als je een mens van vlees en bloed gaat tekenen, of een foto, raak je snel afgeleid van de licht/donker werking door de kleuren die je ziet. Daarom is het een goede, klassieke, oefening om een Oud Grieks of Romeins gebeeldhouwd portret na te tekenen. De kleur van het steen is overal hetzelfde, en de anatomie klopt perfect. Nu is pas echt goed te zien waar het licht valt, en waar de schaduw. Hier een paar voorbeelden uit de portretcursus voor volwassenen:

 

Voor veel mensen is het lastig om alle schakeringen van heel licht grijs tot bijna zwart te leren beheersen met het potlood. Ze denken heel erg in zwart of wit, of moeten nog ontdekken dat je door hard of zacht op het potlood te drukken, en door te arceren, zachte overgangen kunt maken. Natuurlijk maakt ook de zachtheid van het potlood uit; het is niet aan te raden voor een hele donkere schaduw een H potlood te gebruiken. Om hiermee te oefenen is dit een goede opdracht.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *